Schijnzelfstandigheid in de bouw blijkt beperkt probleem
ZZP
Schijnzelfstandigheid komt in de bouw, waaronder de installatiesector, minder vaak voor dan vaak wordt gedacht. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). Op basis van harde, meetbare gegevens zoals uurtarief, aantal opdrachtgevers en de afhankelijkheid van één opdrachtgever, concludeert het instituut dat slechts een kleine groep zzp’ers mogelijk schijnzelfstandig is.
De EIB-studie Schijnzelfstandigheid in de bouw en infra laat zien dat de meeste zelfstandigen stevig in hun werk staan. Slechts 3 procent rekent een uurtarief van 36 euro of lager, en bijna 90 procent werkt voor meer dan drie opdrachtgevers. Ook de financiële afhankelijkheid van één opdrachtgever blijkt beperkt: ongeveer 16 procent haalt meer dan 70 procent van de omzet uit één klant.
Daling met 4,5 procent
Na tien jaar groei daalde het aantal zelfstandigen in de bouw vorig jaar met 4,5 procent. Volgens het EIB komt dat vooral doordat het handhavingsmoratorium rond schijnzelfstandigheid is vervallen. Veel bouwbedrijven hebben hun contracten herzien en scherper gekeken naar ondernemerschap bij ingehuurde krachten. In de meeste gevallen kregen zzp’ers een aanbod om in dienst te treden, maar de meesten kozen ervoor zelfstandig te blijven.
Risico zit bij specifieke
groepen
Het EIB ziet vooral risico’s bij specifieke groepen, zoals zelfstandigen die hoofdzakelijk voor aannemers werken en zzp’ers met een buitenlandse achtergrond. Tegelijkertijd benadrukt het instituut dat gerichte handhaving met duidelijke criteria voldoende is om problemen aan te pakken.
Volgens het EIB kunnen overheden en bedrijven met zo’n risicogerichte aanpak de handhavingscapaciteit effectiever inzetten. Dat bevordert niet alleen eerlijk ondernemerschap, maar ook de professionaliteit in de bouwsector als geheel.
Zie ook pagina 10.